‘Voorbij woorden’, startzondag, 9 september 2018

Psalm 124
Psalm 138: 1 – 3, 7 – 8
Numeri 6: 22 – 27
Markus 12: 28 – 34

 

Gemeente,

Wat doen wij als we samenkomen, hier in de kerk, stil zijn en luisteren, zingen en bidden? Wat doen wij? De vraag geeft het antwoord al. Zingen en bidden, luisteren. Maar de vraag wordt vanzelfsprekend niet voor niets gesteld, wil dieper reiken. Wat doen wij wanneer we zingen, wanneer we bidden en luisteren? Horen we misschien verder dan de woorden die worden gesproken? Is er misschien een verschil tussen horen en luisteren?

Ik heb twee stukjes uit de psalmen gelezen en ook een stukje uit het boek Numeri, een Bijbelboek waaruit heel weinig wordt gelezen. Deze stukjes komen u bekend voor. Ze worden gebruikt aan het begin en het eind van de kerkdienst. Niet altijd. Zo hoeft het natuurlijk niet. Er zijn ook andere woorden. Ik gebruik ze vaak. Aan deze ben ik gehecht. Soms varieer ik een beetje. In deze woorden wordt een zegen uitgesproken. Dit betekent dat u goedwordt toegesproken, vrede. Dat is zegenen. Zeggen: het ga je goed, vrede op je pad.

Eigenlijk is elk woord dat mensen goed doet, een zegen. Dan hoeft niet eens, zoals hier,  God ter sprake te komen. Maar ook als hij niet wordt genoemd dan kan hij daarin wel aanwezig zijn. Hierin ben ik een beetje eigenwijs. Hij zegent je, de Eeuwige. Eigenwijs. Maar dit is de kern van mijn geloof, van hoe ik in het leven sta. Dit bedoel ik met het horen voorbij de woorden.

Wanneer wij hier in de kerk samenkomen gaat om deze zegen. Daarom beginnen we ermee en eindigen we de dienst met een zegenbede. Zij vormen het kader van de bijeenkomst. Het raam. Maar daardoor ook de inhoud. Wij komen samen om te horen dat het goed met ons mag gaan. Dat dit ons gegund wordt.

Zo beleef je het niet elke keer, ook een kerkdienst is mensenwerk, maar daarom gaat het wel. We komen niet samen om een mooi verhaal te horen, om fijn te zingen. Een mooi verhaal kun je ook elders horen en heerlijk zingen kan ook elders. Hier komen we samen om daardoor heen te zien, verder te gaan. Dit verder-gaan wordt in de zegen je toegezegd. Dat is de goede boodschap, je kunt ook zeggen: het evangelie. Het helpt wel als je fijn kunt zingen of als je je niet al te veel stoort aan een preek. Want door het laatste word je afgeleid. Maar het gaat er niet om.

In de kerkdienst wordt je goéd toegesproken. Je kunt ook zeggen: word je bemoedigd. Dat is iets anders dan elkaar goed tóespreken. Het is maar een accentverschil. Het kan weleens nodig zijn om elkaar stevig aan te spreken. Dat menen we tenminste. Maar dit is anders dan elkaar het goede toewensen. Iemand goed tóespreken kan zelfs ontaarden. Dan spreek je elkaar geen goed meer toe, maar kwaad. ‘Wat ben je toch een verschrikkelijk kind.’ Zulke taal legt een doem op iemand. Dan wordt precies het tegendeel gedaan van zegenen. Wie vaak te horen krijgt hoe negatief hij is, die gaat zich terugtrekken om de pijn die deze woorden aanrichten te vermijden. Een gevolg daarvan is dat je je waardeloos voelt. Zo iemand kan zich zelfs naar deze woorden gaan gedragen en ze herhalen. Hoeveel mensen hebben daaronder niet te lijden? Als het je overkomt wordt het zicht je op het goede ontnomen.

Nu heb ik wel gezegd dat de zegen aan het begin en aan het eind staat van onze bijeenkomsten en dat daardoor ook de inhoud ervan wordt bepaald. Maar hoeveel mensen zijn niet in de kerk voorgehouden dat ze zondige mensen zijn. Ze zijn zich daarnaar gedragen, omdat ze zich terugtrokken, schuldig voelden, bang werden. Soms gingen ze zich ook zondig gedragen, spraken ze elkaar niet meer een zegen toe, maar een vloek. Eigenlijk genoeg hierover. Er is voldoende over gezegd. Dan weer mijn eigenwijsheid: in zulk spreken, in zulk gedrag is God niet aanwezig.

En nu vraag je je misschien af, hoe actueel is dit nog? Wel, het is heel actueel. Misschien ben ik een beetje somber. Maar ik ben bang dat er in het openbare leven heel veel negatieve boodschappen worden doorgegeven. In ieder geval te veel. Hoe blij maakt het ons niet als er iets aardigs wordt gezegd, zomaar in een winkel. Daarvan kun je warm van binnen worden en dan geef je dat als vanzelf door. Hier blijkt al iets van het horen verder dan de woorden. Op de woorden komt het niet zo aan als daar een gevoel achter schuilt dat je goed doet. En dat gevoel wordt je meegegeven. Je kunt het een innerlijk contact noemen. Maak je dat mee dan wordt je veel meer meegegeven dan woorden. Dan is daar iemand die zich tot jou wendt. In het dagelijks leven wordt zoveel meer het angstige voor elkaar beoefend. Nou u kent dat wel. Er is ook wel reden toe. Er is veel kwaad. Maar het kwaad kan alleen door het goede overwonnen worden, zoals de apostel Paulus schreef (Rom. 12: 21).

Er zijn niet zoveel plaatsen waar je deze houding om goed te spreken kunt beoefenen. Eén daarvan is de kerk. Daarom wordt er hier op een bijzondere manier gesproken. In de zegen die wordt meegegeven. En in de zegen die wordt gezocht. ‘Onze hulp is de naam van de Heer’ aan het begin van de dienst. Daarin wordt naar de bijstand, naar de zegen gevraagd. Dan gaat het verder: ‘die de hemel en de aarde geschapen heeft’. Daarin gaat het niet om het natuurlijke, evolutionaire wordingsproces van de wereld, maar over een wereld die gezegend. Die wordt gezegend. Weet u wel, na iedere scheppingsdag ‘zag hij, de Eeuwige, dat het goed was. Die wereld blijft hij trouw, tot in eeuwigheid. Dat is iets anders dan het beschrijven van een natuurkundig ontstaan van de wereld. Het gaat ook niet over onze gebondenheid aan onze biologische wortels. Die is er, vanzelfsprekend! Maar daarbij hoeven we het niet te laten. Ja, we worden bepaald door onze genen. Dat heeft onze minister Blok scherp gezien. We kunnen ons onveilig voelen als we anderen ontmoeten, vreemden. Jonge kindertjes kunnen ook heel eenkennig zijn. Maar daarbij hoeven we het niet te laten. Zij moeten nog leren dat ook de wijdere wereld veilig kan zijn. Door hen liefde te geven. Daarom noemen we het ook één-kennig. Het is de kunst om daarboven uit te groeien. Tot een leven van liefde. Daartoe worden we gezegend. Dat is de hulp in de naam van de Heer.

Door de woorden heen kun je dit aanvoelen. Een zielscontact. De zegen aan het eind van de dienst gaat nog een stapje verder. Daarin verschijnt het gelaat van God, zijn aangezicht. Het licht dat over je uitstraalt. Dan wordt eerst de veiligheid – die we zo nodig hebben in het leven – gezocht en gegeven: hij behoede u. Dan doet hij zijn gelaat over u lichten: de stralende gestalte, je komt in dat licht te staan en je krijgt dat licht mee. Dan verheft hij zijn gelaat, het wordt als een koepel over je uit gespannen – als de zon – hij verheft zijn gelaat over u en geeft u vrede. In dat woord komen die twee weer samen: het lichtende en het beschermende: hij geeft vrede. Dat wordt je meegegeven.

De hele dienst staat in dit teken.

En dan is er nog dat prachtige stukje gelezen uit het Markusevangelie.  Het is de kern, de inhoud van de kerkdienst bij uitstek. Daar vraagt een geleerde – die het antwoord wel weet – wat van alle geboden het eerste en belangrijkste is. En daarop antwoordt Jezus met de joodse oproep: Hoor Israël. Dat is de oproep om door de woorden heen te zien. Hoor Israël. Heb de Eeuwige, uw God lief – wat platter gezegd: heb de liefde lief – met heel je hart, met heel je ziel, met heel je verstand, en met al je kracht. Dat betekent: laat je doordringen van die liefde. Het is het grote gebod. En het één na belangrijkste – zo zegt Markus het – de toepassing van het grote gebod: heb uw naaste lief als u zelf. En dat is zo moeilijk. Niet om je naaste lief te hebben, dat is moeilijk genoeg. Maar om jezelf lief te hebben. Om jezelf te doordringen van de liefde, jezelf te accepteren. Jezelf niet steeds naar beneden te drukken. En dat lukt je alleen als je die liefde van God tot je neemt, je daardoor laat belichten. Dan blijkt het met die naaste ook veel beter te lukken. Dan ben je een gezegend mens en dan kun je anderen zegenen: de liefde overbrengen. En de wetsgeleerde herhaalt de woorden van Jezus. Inderdaad, wat u zegt is waar. En dit wordt weer door Jezus bevestigd. Een bevestiging over en weer: ‘U bent niet ver van het koninkrijk van God’. Geen naijver, geen veroordeling. Hierom gaat het. Ook die wetsgeleerde weet door de woorden heen te kijken, door alle verschrikkelijkheden van het onderscheid tussen mensen. Zo nadert hij het koninkrijk van God. Dit is het koninkrijk.

En niemand had daaraan nog maar iets toe te voegen.

Als wij het brood breken en de wijn drinken, dan hebben we daaraan deel. Dan delen we in het nieuwe verbond. Zo heet dit ook wel.

Dat is horen voorbij de woorden.

Amen