‘Een bron van warmte’, 10 december 2017

Jesaja 40:1 – 2a, 3 – 10a,
Johannes 1: 19 – 28,
1 Petrus 3: 8 – 13

‘Troost, troost mijn volk.’

Moet een volk getroost worden? Mensen worden getroost, maar een volk? Zou het Nederlandse volk getroost moeten worden? Waarvoor dan? Hoe doe je zo iets? Het zou een hele nieuwe dimensie geven aan hedendaagse discussies. Niet meer ‘eigen volk eerst’ of zulke uitspraken, maar: ‘troost, troost mijn volk’. Dat klinkt anders. Ook wat ongebruikelijk. Maar in beide gevallen is er een besef dat het volk iets tekort komt. Bij ‘eigen volk eerst’ is er het besef van op de tweede plaats te worden geplaatst en daarmee geen genoegen nemen. Een verongelijkt besef. Het besef ook van opkomen voor je belang en het er niet bij laten zitten. Jezelf kracht in blazen. Je afzetten tegen de hoge heren die alles beter weten. En ervoor zorgen dat je niet tekort komt.

Na het lezen van de kranten deze week begrijp ik dat ook de hoge heren er zo over denken. Goed voor jezelf zorgen is een Nederlandse gewoonte. Je kunt slimme belastingconstructies opzetten en zo het geld naar je toe laten stromen. Andere landen vinden het een minder goed idee, maar doen ze niet anders? Eigen land eerst. Het kan je je goede naam kosten als het ontdekt wordt. Je kunt dan altijd nog ontkennen dat je zoiets doet. Want we zijn echt geen belastingparadijs! Zulke dingen vertellen de kranten.

Dan klinkt ‘troost, troost mijn volk’ anders. Daarin klinkt aanvaarding door, alsof je genoegen neemt met een verlies waarmee je geconfronteerd wordt. Troost. Kom maar hier, het is niet leuk voor je wat er gebeurt, maar je krijgt een aai over je bol. Kun je er weer tegen. Het komt wel goed.

Daarmee heb je je verlies natuurlijk niet terug. Zoiets overtuigt iemand van het eigen-volk-eerst niet. Ook niet de realistische politicus. Eerlijk voor je belang opkomen. Op deze manier toon je kracht, zet je overtuiging neer. Of het nu tot iets leidt of niet. Het is wel een beetje gespannen.

Dat ontbreekt juist bij troost. Iemand die getroost wordt, ontspant, kan de spanning te laten varen. Een moeder die een kind troost zal dat kind tegen zich aandrukken. Zo kan het kind zich opnieuw opladen. Het kan de spanning loslaten. Zo krijgt het nieuwe kracht. Het kind heeft dan wel iets verloren of het heeft zich pijn gedaan, maar het heeft nog iets anders, iets belangrijkers waarnaar het kan terugkeren als het hem teveel wordt, een bron van warmte. Daar kan het de pijn en het verdriet loslaten en opnieuw beginnen. Misschien een akelige ervaring rijker, maar het kan er weer tegen. Dat is troost. Het ervaren van die warmte waardoor je de negatieve ervaringen in het leven leert nemen, en waarna je het leven weer aan kan gaan.

Nu is een kind niet altijd van zulke troost gediend. Het wil zijn problemen zelf uitzoeken. De moeder moet zich niet zo opdringen. Je ziet dan wel dat het de spanning niet loslaat. Dat moet dan maar, want hij moet wel zijn eigen weg leren kiezen. Er is niets zo hinderlijk als opgedrongen troost. Maar het is wel goed om vast te houden: Troost is niet alleen aanvaarden van de pijn die je hebt geleden, of van verlies. Dat is het ook. Maar troost is ook warmte vinden waaruit een nieuwe start kan worden gemaakt. Je wordt geruggesteund.

Ja, en op een goed moment ben je geen kind meer en ben je groot. Soms komt er een dag, dat jij je moeder moet troosten. Waar haal jij dan zelf de warmte vandaan die je nodig hebt? Is er dan nog een bron waaraan je je opnieuw kunt opladen? Dat zijn best ingewikkelde vragen. Daarop kun je een heleboel psychologische theorieën loslaten. Je hebt deze warmte natuurlijk ooit van je moeder – en laat ik er nu ook maar eens de vaders bij halen, zij horen ook in dit verhaal – je hebt ooit van hen geleerd warmte en troost te ervaren. Dat werkt door, ook als ze er niet meer zijn.

Maar ik ben een dominee, en ik zeg eenvoudig, die troostende ouders hebben hun kind in aanraking gebracht met iets dat veel groter is dan zij zelf zijn. Dit draagt het kind met zich mee in zijn leven. Het heeft een bron leren kennen waaruit het kan leven. En ik zeg het religieus. Die moeder heeft het kind in aanraking gebracht met God. Ook al gebruikt ze dat woord niet. Het kind kan zich bij deze bron opnieuw opladen. Later als zijn moeder er niet meer is, kan het nog steeds bij die bron terecht. Het is er eenvoudig.

In aanraking brengen met God gaat niet met woorden, niet met overtuigingen. In ieder geval niet met woorden alleen. Hier gelden de woorden van Oosterhuis: ‘Taal alleen zal verwoesting brengen.’ Dat zegt een dichter. In aanraking brengen met God is anderen de warmte te doen ervaren in het leven. Wat we ervaren bij troost is de heling van het verdriet, het aanvaarden van de wonden die we in ons leven hebben opgelopen en in deze ervaring van troost en warmte het vooruitzicht van een geheelde wereld ontdekken. En een geheelde wereld is niet hetzelfde als een wereld waarin nooit iets van kwaad is voorgevallen. Een geheelde wereld is leven en weten te leven met het kwaad dat zich heeft gemanifesteerd.

“Troost, troost mijn volk, zegt jullie God. … De luister van de Eeuwige zal zich openbaren.” (40: 1, 5)

In de warmte bij het herstel dat we leren kennen na de ervaring van allerlei soorten pijn, daarin openbaart zich de luister van de Eeuwige. Je kunt daarover niet plat praten, alsof het zomaar te krijgen is. ‘Vind je geen steun in je geloof?’ is soms een vraag. Heel goed bedoeld, maar als je net door elkaar wordt geschud, kan dat geloof ver weg zijn. En toch, wanneer je steun ondervindt dan siepelt het geloof weer binnen. Momentjes van troost en hoop.

Deze ervaring wordt doorgegeven in Bijbelse verhalen. Er wordt daarbij gezegd dat je je daarin niet passief hoeft op te stellen. Hou die kleine stroompjes van troost en hoop niet tegen, laat ze toe. Ruim de beletselen op waarmee je het tegen houdt. Jesaja roept dan: Baan een weg door de woestijn, effen een pad voor onze God. Deze woorden worden overgenomen door Johannes de Doper: maak recht de weg van de Heer. Het siepelende water is dan ook nog maar een begin. Johannes doopt met water in de woestijn, maar hij verwacht iemand die na hem komt, die met vuur doopt, zegt Matteüs. Groter en groter. Maar maak het niet al te groot. Want tegenslagen in het leven komen er. En toch, toch schemert daar iets doorheen. Daarop doelen die woorden die we een vorig keer gelezen hebben in psalm 103 en nu bij Jesaja: ja, onze dagen zijn beperkt als het gras, als een bloem op het veld. Maar er blijft iets bewaard dat die bloem overleeft. Bij Jesaja is dit het woord van onze God, in de psalm is dit de trouw van de Eeuwige. Deze blijft. Je kunt ook zeggen het is de schoonheid van de bloem. De bloem vergaat, maar de ervaring van de schoonheid blijft. Dat is de genade die we in ons leven hebben leren kennen. Stoot die niet weg, laat het siepelende stroompje toe. Maak daarvoor de weg vrij.

Johannes wijst dan op de persoon die ‘in uw midden staat iemand die u niet kent.’ Iemand die zal spreken over de bloemen, over de lelies op het veld, bloemen die mooier zijn dan de meest schitterende koning (Matt.6: 27). In dit eindige bestaan breekt iets door waaraan we deel kunnen hebben en dat ons leven kan voeden, de schoonheid van onze God (Jes.35: 2). Het wordt zichtbaar in het meest kwetsbare dat we kennen, in een pas geboren kind.

Troost, troost mijn volk. Waarom moet het volk getroost worden? Juist omdat er zulke breuklijnen lopen tussen mensen en samenlevingen op deze wereld.

Het volk tot wie Jesaja sprak is niet te vergelijken met wat we nu het Nederlandse volk noemen. Niet qua omvang, en niet qua ervaringen. Toch denk ik, dat onze samenleving, ons volk als u wilt, deze troost kan gebruiken, warmte om negatieve ervaringen het hoofd te bieden. Want er gaat zoveel schrik door ons heen als we de ontwikkelingen in de wereld bezien en de problemen die zomaar op ons erf terechtkomen.

Troost is nodig voor degenen die beseffen dat ze niet tot het volk gerekend worden. Die zich daarbuiten geplaatst voelen en zich daardoor gekwetst weten. Troost voor degenen die zich in de samenleving achtergesteld weten, naar wie nooit geluisterd wordt en die hun gelijk willen halen. Steeds gaat het om gekwetstheid. Troost voor degenen die in gelegenheid zijn geweest om macht en aanzien naar zich toe te trekken, die zichzelf ervoor rechtvaardigen en in feite zo bitter eenzaam zijn.

Warmte. We ontberen een moeder die al die mensen onder haar vleugels nemen kan. Maar we kunnen ook zelf als deze moeder zijn, een beetje, zo hier en daar. De woorden in de Petrusbrief wijzen een weg: “Vergeldt geen kwaad met kwaad… scheld niet terug; zegen juist”, “wie het leven liefheeft … moet geen laster of leugens over zijn lippen laten komen, hij moet het kwaad uit de weg gaan en het goede doen, en voortdurend vrede nastreven.” Een beetje zijn als deze God is.

Amen